30-05-2015
‘Kees ik hoor een stem die om hulp vraagt, klopt dat?’
‘Ja kind.’
‘Ik hoor uw stem. Wie bent u en waar bent u?’
‘Ik ben nu in uw huis. Ik ben al weer iets verder gekomen vanuit het schemergebied.’
‘Hoelang bent u al in het schemergebied?’
‘Weet ik niet meer.’
‘Kunt u zeggen waaraan u bent overgegaan?’
‘Ik ben ziek geweest. Ik was bang voor de hel.’
‘U weet toch dat er geen hel bestaat!’
‘Ja dat is me wel verteld maar ik weet niet of ik het moet geloven, er lopen hier zoveel rare mensen rond. Ik krijg met niemand contact. Ik begon te bidden en toen kwam dat meisje er aan en die nam me mee naar u toe. Ik hoorde u bidden en nu durf ik het wel te vragen. Er zijn meer mensen in uw huis aanwezig die hulp nodig hebben. Kunt u mij helpen?
‘Zullen we dan samen bidden en als u het licht naar u toe ziet komen ga er dan heen. U wordt dan geholpen. Mag ik uw naam?’
‘Ja hoor, W.’
‘Laat ons dan bidden. Lieve Jezus, ik wil zo graag verder. Ik wil hier weg. Kunt u een engel sturen om me te helpen? Help mij alstublieft, ik ben bang.’
‘Zie je al iets komen?’
‘Ik hoor zingen en er komt een lichtje aan.’
‘Ga daar maar naar toe en dank God. Tel je zegeningen omdat je naar het licht mag gaan. Dag W.’