18-02-2016

‘Kees, is hier iemand aanwezig die geholpen mag worden?’

‘Ja Tine, er wordt gewacht.’

‘Wie is hier aanwezig die geholpen mag worden?’

‘Ik mevrouw.’

‘Wie is ik?.’

‘Mijn naam is D, ik ben gevraagd om naar u toe te gaan, Ik ben niet alleen. Wij zijn met een groepje, die zoekende zijn. De anderen willen hun naam niet zeggen, zij zijn bang. Een klein meisje heeft ons hierheen gebracht en u zou ons kunnen helpen.’

‘Dat klopt, kunt u zeggen waar u vandaan komt?’

‘We zijn op de boot geweest en dat liep verkeerd af.’

‘Bent u Nederlandse?’

‘Ik wel maar de anderen niet. Ik heb altijd geholpen waar ik maar kon, ook hier en daarom zijn we hierheen gebracht.’

‘Kunt u samen bidden?’

‘Ja maar wel ieder op zijn eigen manier.’

‘zijn jullie verdronken?’

‘Ja, hier in Nederland, met een vissersboot.’

‘Is dat lang geleden?’

‘Ik denk voor mijn gevoel jaren terug, dat weet ik niet meer.’

‘Waarom zijn jullie niet naar het licht gegaan.’

‘We durfde niet omdat we het niet vertrouwde.’

‘Kees, klopt dat?

‘Ga door Tine.’

‘Nu zijn we doodmoe van het zoeken en willen graag verder.’

‘Laten we dan bidden en hulp vragen aan de engelen. Vraag om licht en ga met ze mee wanneer ze naar jullie toekomen.’

‘We horen nu wel zingen.’

‘Ziet u al iets aankomen?’

‘Ja in de verte.’

‘Wanneer het licht wit is en het gezang heel mooi, ga dan met ze mee. Er wordt op jullie gewacht in liefde. Vertrouw hen die u nu komen helpen.’

‘Kunnen we er echt van op aan?’

‘Ja hoor, ga in liefde met ze mee. Ik zal licht branden voor jullie. Ze zijn er, ga met ze mee in liefde.’

‘Dank u wel, daag.’

‘Kees, had dit met de watersnoodramp te maken?’

‘Ja kind.’