30-05-2015

‘Kees klopt het wat ik hoor?

‘Wees niet ongerust er wachten nog velen om overgebracht te worden.’

‘Ík hoorde jullie wel , jullie moesten alleen even wachten.’

‘Wij zijn twee broers.’

‘Ik voel iets wat met een vliegtuig te maken heeft.’

‘Ja, dat ongeluk in de Bijlmer, het was een hel en we vloekten van pijn en angst. Er kwamen mensen op ons af om te helpen maar wij joegen ze weg van de angst en pijn. Wij luisterden niet naar wat er gezegd werd.’

‘Hoe oud waren jullie, toen jullie overgingen?’

‘Vijftien of zestien, dat weet ik niet meer. Maar nu zijn we de weg kwijt en weten niet meer waar we naar toe moeten.’

‘Leven jullie ouders nog?’

‘Mijn moeder wel. Zij wil graag terug naar Suriname maar het geld daarvoor ontbreekt. Maar ook wil ze blijven voor ons.’

‘Je moeder bid voor jullie?’

‘Jawel en wij zijn ook vaak bij haar maar ze hoort ons niet. Waarom al die vragen. twijfelt u aan ons?’

‘Ik moet zeker weten dat jullie zijn die jullie zeggen te zijn.’

‘Maar het kleine meisje zei dat u ons kon helpen.’

‘Oké, dan klopt het, sorry hoor. Bidden jullie ook?’

‘Soms, moeder doet het wel, zoals ik al zei. Niemand hoort ons daarom zijn we gekomen.’

‘Zullen we dan samen bidden en hulp vragen voor jullie.’

‘Als dat helpt.’

‘Ja, dat helpt, hebben jullie nog vragen?’

‘Wat gaat er nu gebeuren?’

‘Als we gebeden hebben komt er een wit licht naar jullie toe. Ga met dat licht mee en jullie zullen heel liefdevol geholpen worden. Je zult je veilig voelen  en je zult mensen ontmoeten die jullie kennen. Hier is het gebed, zeg mij na: Lieve Jezus wilt u zich ontfermen over ons en ons helpen om hier weg te komen. Help ons alstublieft hier vandaan. Zie je al iets?’

‘Nee, maar we horen wel zingen.’

‘Kennen jullie het onze vader?’

‘Ja.’

‘Dan zullen we dat bidden.’

‘Er komt iemand aan.’

‘Is die iemand  in het witte licht?’

‘Ja.’

‘Ga dan maar naar dat licht en ga in vrede. Dag.’